Alaaf

Wetende dat hij niet meer lang zou leven, wilde hij graag dat ik even langskwam om te praten over zijn uitvaart. Want, zo zei hij: ‘Het mag dan wel een afscheid zijn, gelukkig is er meer om te vieren.’ Zijn leven noemde hij een feestje. En met het naderende carnaval, écht zijn feest, durfde hij zijn uitvaart deze stempel ook te geven. Met guitige ogen zei hij dat zijn muziekkeuze was bepaald. Nou ben ik heel wat gewend in al die jaren, maar nog nooit had iemand om de Snollebollekes gevraagd. Tot dit moment. Hij zag mijn vragende blik. De bedoeling was om het intro van dit lied te laten horen waarop zijn carnavalsmaatjes naar voren kwamen om herinneringen te delen van zijn leven. Zijn leven dat zo in het teken stond van die dolle dagen. Maar dat het enkel dollen was, bleek uiteindelijk geenszins het geval. De verbroedering was juist wat naar voren kwam. Zijn tomeloze inzet voor de vereniging, het hele jaar door. Hij was de man die zich bekommerde om het wel en wee van de carnavalsleden.

En nu viel er een gat. Op die plek in de Raad van Elf. In die polonaise en aan die bar. Vlak voor de carnaval losbarstte vond zijn afscheid plaats. Met de meerderheid van de aanwezigheid in stijl gekleed. En dat betekende dus geen stemmige kleuren. Hij kreeg een driewerf alaaf voor alles wat hij had betekend. De steken werden voor hem afgenomen. En daarna mocht er een biertje worden gedronken. Als opmaat voor de carnaval, want ook dat ging gewoon door. Hij zou niet anders hebben gewild. Zijn maatjes vierden vier dagen feest, zoals hij ook zou hebben gedaan. Ze proostten op hem en op de carnaval: op dat wat ze in hun hart hadden gesloten. Alaaf!